Stoflaagje voor stoflaagje

De maandag begint met visioenen voor ogen
van beelden die roepen om uit steen gehakt geboren
te worden terwijl het tikken van hamers en beitels
zich onder wolkengrauw worstelt in een atonaal
ritme van golf en slag. De dinsdag is nog steeds
wintertruiendag tot woensdag het weer omslaat.

Intussen krijgen beelden gestalte, een kat en een uil.
Een zwanenhals buigt zich sierlijk maar zo geduldig
stoflaagje voor stoflaagje tevoorschijn. Billen en
borsten en benen willen zich donderdag richten
naar de zonnestralen die het plein in vuur zetten.
Boeddha knipoogt bij de lunch naar het geluk dat

op tafel staat, maar in de boze buitenwereld gaan
de mensen naar de stembus. Vrijdag besluit
in ver weg Londen een zekere mevrouw May
haar eigen exit. Beeldhouwers in de tuin leggen
de laatste hand – althans voorlopig –  aan hun beeld.
De meester steekt moe en tevree zijn sigaartje op.

De glazen wijn en appelsap wachten op gezondheid.
En de beelden? Zij zwijgen sprekend.

Gerard Beentjes

Het stamhoofd vertelt

Het stamhoofd vertelt

Kom, witte man, zit met ons,
neem de kruik, drink het bier,
het verbond van de avond,
het verleden van de zon.

Wij zijn het hoofd van de stam,
gebogen rug van voorbij,
wit het haar, dun als de tijd,
rijk als het verhaal vertelt.

Kijk, daar loopt onze dochter,
evenbeeld van haar moeder,
hoog het voorhoofd, vrouw
van de ochtendzon is zij.

Rond haar mond het geheim
van haar schoot, zij draagt
de belofte van haar kind,
licht van het licht van de tijd.

Weet, witte man, niemand
springt verder dan zijn schaduw,
zit, drink en luister, herhaal
het verhaal van het leven.

Gerard Beentjes

 

Dit gedicht is het openingsgedicht van de bundel ‘de nagel van de tijd‘,
het eerste exemplaar van de dichtbundel heb ik overhandigd aan
Karel van der Horst, mijn oom en mijn eerste leraar Nederlands.

Vrijdag 11 mei jl. heb ik dit gedicht voorgedragen op zijn begrafenis, met als extra titel ‘Herinnering aan Uganda’, het land waar hij vele jaren werkte als missionaris.